De ontwikkeling van de polder en de dorpen

De stedenbouwkundige verkaveling van de Noordoostpolder werd opgesteld door de Dienst der Zuiderzeewerken en Directie van de Wieringermeer. Het verkavelingsplan werd gemaakt door waterstaatskundige en landbouwkundige ingenieurs. Stedenbouwkundigen werden in de laatste fase betrokken, bij het nadenken over de dorpen.

Vanaf 1938 werd gewerkt aan het bewoningsplan door ingenieur Van der Bom van de Dienst der Zuiderzeewerken. Al snel werd uitgegaan van een centrum met streekverzorgende functie en dorpen rondom. In eerste instantie vijf dorpen op onderlinge afstand van 8 km met verspreid een aantal gehuchten voor de landarbeiders. Later werd het aantal dorpen bijgesteld naar zes, zeven en uiteindelijk tien dorpen. Dit werd mede veroorzaakt doordat de overtuiging groeide dat boerenarbeiders beter in de dorpen konden wonen, dan verspreid over de polder.

depolder-pag12
‘Een schematische weergave van Christallers centrale plaatsentheorie

 

De afstand tussen de dorpen ontstond door ervaringen in de Wieringermeerdorpen, door theoretische beschouwingen en landbouwtechnische overwegingen. In de Wieringermeer was de afstand tussen de dorpen te beperkt. Om de afstand te bepalen werd ook gebruikt gemaakt van de theorie van de Duitse geograaf Christaller. Christallers centrale plaatsentheorie ging uit van de afstand tussen plaatsen door te verwijzen naar de afstand van kernen in een verzorgingsgebied. Hij ging uit van een kernenhiƫrarchie van steden, verzorgingskernen en gewone kernen. Daarnaast leidde hij uit de praktijk vaste afstanden tussen de kernen af, die hij in een hexagonaal systeem vatte. Het dorpenpatroon in de Noordoostpolder lijkt direct te zijn ontleend aan dit systeem. Hiermee nam het polderplan afstand van de tot dan toe gebruikelijke theorie dat nederzettingen zich ontwikkelen op kruispunten van water en wegen. Door de snelle toename van gemotoriseerd verkeer bleken de afstanden, mede gebaseerd op de fiets als belangrijk transportmiddel, al spoedig achterhaald.

Sociografisch onderzoek

Voor de polder en voor elke dorp is een survey geschreven. Dit was een sociografisch onderzoek en onderbouwing waarop de ruimtelijke planning kon worden gebaseerd, voor die tijd een vernieuwende manier van werken.

EĆ©n van de Nederlandse pioniers op het gebied van de survey was Van Lohuizen, mede-organisator van het Internationaal Stedenbouwcongres. Van Lohuizen hechtte groot belang aan de kennis omtrent ontwikkeling van de bevolking in een regio (Nieuwe dorpen op nieuw land, Van Woensel, pp. 32).

Door demografische en maatschappelijke ontwikkelingen te becijferen en te vergelijken met andere regio’s kwam men voor de hele polder op een inschatting van een inwonertal van 25.000 tot 30.000 inwoners, waarvan 16.000 tot 22.000 in de kernen. Dankzij de surveys konden richtlijnen worden opgesteld voor de dichtheid, positionering en ontwikkeling van de landbouw, de bedrijven, winkels, aantal woningen, kerken, etc.